Al heel veel jaren worden Dianne Prinse, informatiecoördinator, en Jan Leemans, tactisch coördinator bij TGO-teams, bij nacht en ontij uit bed gebeld als er een ernstig delict heeft plaatsgevonden.
Aangekomen op een plaats delict laten Prinse en Leemans zich met andere leidinggevenden van het TGO-team informeren door collega's die als eerste ter plekke waren. Dan kijken ze wat prioriteit heeft en waarmee de medewerkers van de Unit forensisch technische opsporing als eerste aan de slag gaan.
"Dat is meestal het natrekken van vluchtige gegevens als voetsporen en vingerafdrukken, kijken of er video-opnames zijn, buurtonderzoek", somt Leemans op. "Soms hoor je de dag erna pas dat er een TGO-team op een zaak wordt gezet. Als bijvoorbeeld blijkt dat het toch geen ongeval was, maar dat er sprake was van opzet. Dat betekent ook dat je de dag erna pas op een plaats delict komt, waardoor je bepaalde dingen niet meer kunt doen. Zo zal er weinig over zijn van voetsporen als het die nacht geregend heeft."
Ook gaan rechercheurs meteen aan de slag met het inwinnen van zo veel mogelijk informatie. Dianne Prinse: "Dat kan informatie zijn uit het politiesysteem, maar ook extern zoals van de Belastingdienst, de gemeente, internetproviders of het GAK. Om toegang te krijgen tot die informatiebronnen hebben we vorderingen van de officier van justitie nodig. Die vordering moet aan de betreffende instantie duidelijk maken dat we een strafbaar feit kunnen aantonen met de gegevens. Hoe zwaarder de schending van privacy, hoe zwaarder de vordering moet zijn. Medische gegevens worden in principe niet verstrekt. Soms lukt dat, maar het ligt er helemaal aan wat voor arts je voor je hebt."
Leemans: "Als iemand ergens midden in een weiland wordt gevonden is dat voor ons lastiger dan dat iemand in een woning ligt. En als je te maken hebt met mensen uit een crimineel milieu kan dat ook lastig zijn, omdat zij vaak iets te verbergen hebben. Ze zijn dan niet altijd open over de reden waarom iets gebeurd is."
Het contact met slachtoffers en nabestaanden loopt bij een grootschalig onderzoek via speciaal daarvoor opgeleide familierechercheurs. Zij maken geen deel uit van het onderzoeksteam om te voorkomen dat zij beïnvloed worden. "Ook via hen krijgen we informatie die in het onderzoek van pas kan komen", aldus Leemans.
"Niet alleen de verklaringen van slachtoffers en verdachten zijn voor de politie van belang", benadrukt Prinse. "Wij zijn op zoek naar harde feiten en omstandigheden. Sporenonderzoek levert daar een belangrijke bijdrage aan."
De invloed van de Schiedammer parkmoord, waarbij een onschuldig iemand werd veroordeeld, merken de twee rechercheurs dagelijks. Leemans licht een groot verschil toe. "Vroeger bepaalden we veel sneller de richting waarin we gingen rechercheren. Nu bespreken we eerst alle scenario's. Die gaan we één voor één falsificeren, ofwel aantonen dat het op die manier niet gegaan kan zijn. Op die manier voorkom je tunnelvisie."
Er is meer veranderd. Leemans: "Vroeger deden wij de verhoren van de verdachten zelf. Tegenwoordig moet je daar gecertificeerd voor zijn. Het mag nooit zo zijn dat de verhoorder de woorden in de mond legt van de verdachte."
Bijna alle TGO's worden opgelost. Dat wil echter niet zeggen dat het altijd tot een veroordeling komt. Bijvoorbeeld als er sprake is geweest van een ongeluk of zelfdoding. "Dat is ook niet erg. Ons werk is waarheidsvinding, uitzoeken wat er precies is gebeurd."
Eerdere afleveringen van deze serie stonden op 13, 20 en 27 januari in deze krant. Ze zijn te lezen op brabantsdagblad.nl/recherche
© Brabants Dagblad 2012, op dit artikel rust copyright.